direct naar inhoud van 5.2 Milieu- en omgevingsaspecten
Plan: Bestemmingsplan Rijnboog Kenniscluster
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0202.732-0301

5.2 Milieu- en omgevingsaspecten

5.2.1 Geluid

Wet geluidhinder

Aan weerszijden van de meeste wegen bevindt zich een zone (artikel 74 Wet geluidhinder). Deze zone is het aandachtsgebied waarbinnen de regels van de Wet geluidhinder van toepassing zijn. Niet alle wegen hebben een zone, uitgesloten zijn de wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur en woonerven.

Wanneer er binnen de zone van een weg (planologisch) een nieuwe situatie ontstaat, met betrekking tot geluidsgevoelige bestemmingen, moet er akoestisch onderzoek uitgevoerd worden (artikel 76 e.v. Wet geluidhinder). Uit het onderzoek kunnen drie typen resultaten komen:

  • Geluidbelasting bij geluidsgevoelige bestemming is maximaal 48 dB en voldoet dus aan de voorkeurgrenswaarde.
    Gevolg: geen belemmering vanuit de Wet geluidhinder.
  • Geluidbelasting bij geluidsgevoelige bestemming ligt tussen de voorkeursgrenswaarde en de grenswaarde (63 dB binnenstedelijk).
    Gevolg: er moet een hogere waarde vastgesteld worden door het college van B&W.
  • De geluidbelasting bij geluidsgevoelige bestemming overschrijdt de grenswaarde.
    Gevolg: De voorgenomen wijziging is niet toegestaan als gevolg van de Wet geluidhinder.

Conform artikel 110 Wet geluidhinder mag de berekende geluidbelasting verminderd worden met een correctiefactor. Door deze correctiefactor wordt rekening gehouden met het stiller worden van de motorvoertuigen in de toekomst. Conform het Reken- en Meetvoorschrift geluidhinder 2006 bedraagt de correctie factor:

  • 2 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km/uur of meer bedraagt;
  • 5 dB voor de overige wegen.

Hogere grenswaarde Wegverkeerslawaai

Bij het nemen van een hogere waarde besluit moet op grond van artikel 110f Wgh aandacht besteedt worden aan cumulatie van alle gezoneerde geluidsbronnen. In deze situatie dus alleen de wegen rondom het plan. De cumulatie dient ervoor om de binnenwaarde van 33 dB te borgen. Dus afhankelijk van de gecumuleerde waarde aan de gevel kan de geluidwering door de gevel bepaald worden, die nodig is om een binnenwaarde van 33 dB te halen. Dit is een voorwaarde voor het verlenen van een hogere waarde.

Het plan Kenniscluster ligt in het Centrum. Het ambitieniveau van dit gebied ligt voor wegverkeerslawaai op de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, incidenteel bijvoorbeeld bij een drukke ontsluitingsweg, wordt 53 dB acceptabel geacht.


Voor het onderzoek van DGMR (Rapport V.2008.1790.00.R002) is uitgegaan van de verkeersmodellen met omgevingskenmerken van Goudappel. Omdat voor geluid alleen de eindsituatie van belang is, is het model 2025 gebruikt. Verder is het wegdek, zoals dat nu aanwezig is, als uitgangspunt genomen voor de berekeningen in de plansituatie. Dat betekent bijvoorbeeld dat voor de Weerdjesstraat een wegdek van ZSA-SD is meegenomen.

Plansituatie

Het bouwplan wordt begrensd door de Weerdjesstraat, de Oude Oeverstraat, de Langstraat en het Nieuwe Plein.

Het bouwblok die in de plansituatie toegevoegd wordt, is hieronder weergegeven. Op het blok is de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer op de verschillende relevante wegen beoordeeld.

  • Bouwblok D – Kenniscluster, in deze rapportage is uitgegaan van 6 bouwlagen. Op alle bouwlagen kan les worden gegeven. De dagperiode voor dit bouwblok is representatief.

afbeelding "i_NL.IMRO.0202.732-0301_0003.gif"

Figuur 5.1: het nieuwe bouwblok

Resultaten

Uit de resultaten van het DGMR-onderzoek (Bijlage 4) blijkt dat bij het Kenniscluster de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van diverse wegen wordt overschreden. In de meeste gevallen (zie hieronder) wordt ook de maximale te ontheffen waarde, zoals opgenomen in het geluidbeleid van de gemeente Arnhem voor dit gebied, overschreden.

  • Het geluid ten gevolge van het Roermondsplein – Nieuwe Plein is maximaal 58 dB ter plaatse van het Kenniscluster;
  • Aan het geluid ten gevolge van de Weerdjesstraat wordt bij het Kenniscluster voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB;
  • Het geluid ten gevolge van de Nieuwe Oeverstraat is maximaal 59 dB. Bij het Kenniscluster wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden;
  • Het geluid ten gevolge van de Vossenstraat voldoet het Kenniscluster aan de voorkeursgrenswaarde;
  • Het geluid ten gevolge van de Langstraat, maximaal 60 dB, voldoet bij het Kenniscluster aan de voorkeursgrenswaarde.

Aangezien de geluidsbelasting ter plaatse van alle bouwblokken de voorkeursgrenswaarde overschrijdt, zijn maatregelen onderzocht om de geluidsbelasting te reduceren tot maximaal 48 dB. De maximale wettelijke grenswaarde van 63 dB wordt niet overschreden, maar de maximaal te ontheffen waarde, 58 dB, uit het Arnhems geluidbeleid wél.

Rijsnelheid

De toegepaste rijsnelheid bedraagt 50 km/uur op alle onderzochte wegen. Het is in de toekomstige situatie 2025 mogelijk dat de Nieuwe Oeverstraat, de Vossenstraat en de Langstraat een 30 km/uur regime krijgen. Deze wegen zouden volgens de Wet geluidhinder dan geen wettelijke geluidszone meer hebben (zie paragraaf 3.6.1) en zou het geluid van deze wegen niet meer getoetst te hoeven worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.

Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening is het geluid bij de bouwblokken echter wel berekend waarbij de wettelijke rijsnelheid van deze drie wegen 30 km/uur bedraagt. In (Bijlage 4) zijn de resultaten opgenomen. Hieruit blijkt, dat:

  • Het geluid ten gevolge van de Nieuwe Oeverstraat maximaal 59 dB blijft;
  • Het geluid ten gevolge van de Vossenstraat maximaal 60 dB blijft;
  • Het geluid ten gevolge van de Langstraat maximaal 57 dB wordt.

Maatregelen

Het wegdek van de Weerdjesstraat is al voorzien van een geluidsreducerende bronmaatregel. Op de overige wegen is in het peiljaar 2025 fijn asfalt aanwezig. Het toepassen van een geluidsreducerend wegdek met een reductie van 4 dB (bijvoorbeeld dunne deklaag 2) kan het geluid niet verminderen tot de voorkeursgrenswaarde, maar wel beneden de maximaal te ontheffen waarde van 58 dB.

Overdrachtsmaatregelen in de vorm van schermen hebben weinig effect op de hogere verdiepingen en zijn daarom niet doelmatig toe te passen.

Bouwkundige maatregelen, zoals een dubbele gevel zijn eventueel wel toe te passen. Hiermee wordt een gevel voor de echte gevel aangebracht, waardoor de gevelbelasting tot de voorkeursgrenswaarde kan worden teruggebracht. Indien dit niet haalbaar blijkt, moeten hogere waarden vastgesteld worden.

Voor het vaststellen van deze hogere waarden is cumulatie van de verschillende geluidsbronnen (in dit geval alleen wegen) inzichtelijk gemaakt, zonder aftrek ex. Artikel 110 Wgh. De maximale cumulatiewaarde is 63 dB. Bij het verlenen van de bouwvergunning met een hogere grenswaarde, moeten de maatregelen op de verschillende wegen geborgd zijn en moet onderzocht worden of gevelisolatiemaatregelen noodzakelijk zijn om aan een maximale binnenwaarde van 33 dB te kunnen voldoen.

Conclusie

Voor het bestemmingsplan 'Rijnboog Kenniscluster' is alleen wegverkeerslawaai van belang. Railverkeerlawaai is hier niet relevant en industrielawaai (inrichtingen) is enkel van belang aan de noordzijde van het Kenniscluster (horeca in de Oude Overstraat) én is van belang vanwege de geluidbronnen van het Kenniscluster zelf ten opzichte van woningen in de omgeving. In een later stadium moet dit onderzocht worden, als de plannen voor het Kenniscluster concreter zijn.

Bij het Kenniscluster wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. Op meerdere woningen wordt tevens de maximaal te ontheffen waarde van 53 dB overschreden. Alleen door toepassing van bronmaatregelen op de Nieuwe Oeverstraat, de Vossenstraat en de Langstraat kan de geluidbelasting onder de 53 dB gebracht worden voor de meeste woningen.

Bij het Kenniscluster wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. Voorwaarden voor het bestemmingsplan zijn:

  • Er moeten bronmaatregelen genomen worden om beneden de maximaal te ontheffen waarde van 58 dB te komen;
  • Omdat de Nieuwe Oeverstraat een 30-km zone wordt, hoeft geen ontheffing hogere waarde aangevraagd te worden, maar moeten bronmaatregelen in het kader van een goede ruimtelijke ordening uitgevoerd worden;
  • Op het Roermondsplein is (deels) reeds SMA toegepast. Dit wordt als uitgangspunt voor het verlenen van een ontheffing (voor de geluidbelasting t.g.v. deze weg) gebruikt;
  • De bronmaatregelen op de Nieuwe Oeverstraat moeten geborgd worden.
5.2.2 Luchtkwaliteit

Het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Rijnboog Kenniscluster' kan in het kader van de luchtkwaliteit niet apart beoordeeld worden. Het maakt onderdeel uit van de ontwikkelingen in het project Rijnboog en valt onder de anticumulatieregel van het Besluit Niet In Betekenende Mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen art. 5). Om die reden is de luchtkwaliteit beoordeeld van het hele project Rijnboog, eerste fase, op basis van de verkeersmodellen van de verschillende relevante jaren: 2009, 2010, 2015 en 2020. In de verkeersmodellen is onderscheid gemaakt tussen autonome modellen (zonder de realisatie van bouwprojecten in de Rijnboog) en planmodellen, waarbij in ieder model (jaar) de totale realisatie van de projecten (Paradijs, Bartok, Kenniscluster, Havenkwartier en Coehoorn) is meegenomen, voor zover in fase 1 van het totale project gerealiseerd zal worden. In elk tussenjaar is beoordeeld wat het extra verkeer van en naar de nieuwbouw van de verschillende projecten toevoegt aan de luchtkwaliteit bij met name de bekende knelpunten (Centrumring). Ondanks het feit dat het gehele Rijnboogproject deel uitmaakt van het NSL, is er een luchtkwaliteitonderzoek uitgevoerd. De reden daarvoor is dat het project Rijnboog in een overgangsfase opgestart is: het deelplan Paradijs is namelijk al beoordeeld voordat het NSL van kracht werd.

Het luchtkwaliteitonderzoek is uitgevoerd door DGMR, rapport V.2008.1790.00.R002, “Rijnboog Arnhem, Onderzoek naar de luchtkwaliteit”. In dit onderzoek is op basis van bovengenoemde omgevingsmodellen van Goudappel, en door middel van berekeningen, vastgesteld wat het studiegebied moest zijn. Langs alle wegen in dit studiegebied is de concentratie NO2 en PM10 op de toetsafstand berekend (10 meter vanaf kant weg of ter plaatse van de gevel) en de bijdrage van het project Rijnboog door middel van Geoair (afgeleid van CAR II). De situatie rondom het Roermondsplein is berekend met Geostacks (wat zowel volgens de SRM-1 als SRM 2-methode kan rekenen), vanwege de complexere situatie van de infrastructuur (brug, tunnel en viaducten).

Uit de rekenresultaten (SRM-1) blijkt dat langs enkele binnenstedelijke wegen de grenswaarde voor NO2in 2009 en 2010 overschreden wordt. Deze stikstofdioxideconcentratie neemt nog toe door de realisatie van het project Rijnboog.

De grenswaarden voor fijn stof (zowel jaargemiddeld als het aantal dagen overschrijding daggemiddelde) worden nergens overschreden, in geen van de peiljaren 2009, 2010, 2015 en 2020.

Weg   NO2 conc. Jaargemiddeld
Autonoom 2010  
NO2 conc.
Jaargem.
Plan 2010  
NO2 conc. Jaargemiddeld
Autonoom 2015  
NO2 conc.
Jaargem.
Plan 2015  
NO2 conc. Jaargemiddeld
Autonoom 2020  
NO2 conc.
Jaargem.
Plan 2020  
Oranjewachtstraat   40,0   40,3   40,3   40,5   29,4   31,8  
Eusebiusplein   44,3   44,5   39,7   39,9   31,1   31,0  
Velperbuitensingel   44,0   44,3   40,6   41,3   29,7   29,9  
Apeldoornseweg   43,1   43,3   40,2   40,3   28,9   NB  
Eusebiusbuitensingel   42,7   43,2   38,4   39,2   28,6   28,9  
Weerdjesstraat   38,5   39,4   37,0   37,7   26,9   27,5  
Receptorpunt 21)   27,6   27,0   24,0   23,7   19,2   18,7  
Receptorpunt 5   33,0   33,7   28,2   28,5   22,3   21,4  
Receptorpunt 6   32,8   34,4   27,6   28,4   22,2   20,7  
Receptorpunt 8   28,7   29,1   25,0   25,6   19,8   19,8  
Receptorpunt 9   33,1   34,0   28,1   28,5   22,4   21,5  
Receptorpunt 10   30,4   31,8   25,7   26,5   20,6   20,5  
Receptorpunt 13   26,4   27,4   22,8   23,5   18,5   18,9  
Receptorpunt 22   28,6   30,8   25,3   22,6   19,9   20,8  

1) Concentraties bij receptorpunten zijn berekend met Geostacks

Tabel 5.1: rekenresultaten voor de wegen met overschrijding stikstofdioxide grenswaarde.

afbeelding "i_NL.IMRO.0202.732-0301_0004.gif"

Figuur 5.2 overschrijdingen NO2 in 2010

Projectsaldering niet meer nodig

De plannen van Rijnboog dragen op dit moment, nu het NSL van kracht is, niet meer in betekenende mate bij aan overschrijdingen op de Eusebiusbuitensingel en de Velperbuitensingel in de periode van 2010 tot en met 2015. Bovendien is het project Rijnboog opgenomen in het NSL. Dat betekent dat de bijdrage van dit project aan de luchtkwaliteit formeel niet getoetst hoeft te worden aan de grenswaarden.

In het kader van het NSL is de gemeente Arnhem al gestart met de voorbereiding én uitvoering van een tweetal maatregelen, dat de luchtkwaliteit langs de singels moet verbeteren:

  • Dynamisch Verkeersmanagement: slimmer regelen van de verkeersregelinstallaties langs de singels.
  • Milieuzone voor vrachtverkeer.

Conclusie

Uit de rekenresultaten van Geoair (SRM-1) en Geostacks (SRM-1 en SRM-2) voor het hele studiegebied volgt dat het project Rijnboog niet in betekenende mate bijdraagt aan de afname van de luchtkwaliteit. De concentratie NO2 en PM10 neemt langs een groot aantal wegen toe met meer dan 0,4 µg/m3, maar minder dan 1,2 µg/m3. Op de Eusbiusbuitensingel en de Velperbuitensingel is sprake van overschrijdingen van de grenswaarde stikstofdioxide in 2010 en 2015.

Op 10 augustus 2009 is het NSL van kracht geworden. Daarmee komt de Niet In Betekenende Mate grens op 3% te liggen. Het project Rijnboog is opgenomen in het NSL. Voor het gehele project Rijnboog is nu vastgesteld dat de voorgenomen maatregelen uit het NSL voldoende compensatie geven. Dit is aangetoond door middel van het Saneringstool 3.1, waaruit blijkt dat de knelpunten in Arnhem in respectievelijk 2011 en 2015 opgelost zullen zijn, inclusief de ontwikkeling van de Rijnboog.

5.2.3 Hinder

In het kader van de VNG brochure bedrijven en milieuzonering wordt zowel het plangebied als de omgeving getypeerd als gemengd gebied. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen onder andere grootschalige en kleinschalige culturele functies voor zoals de bibliotheek, musea, volkuniversiteit, het kunstbedrijf en het Rijn IJssel College. Daarnaast biedt ruimte aan een kennisplein met ondersteunende ruimtes en horeca.

De omgeving van het plangebied en de geprojecteerde culturele functies binnen het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit milieucategorie 1 en 2 bedrijven. Ten opzichte van het omgevingstype gemengd gebied geldt een richtafstand van maximaal 10 meter. Dit betekent dat de ontwikkelingen binnen het plangebied geen belemmering vormen voor de bedrijven in de omgeving. Omgekeerd vormen de bedrijven in de omgeving geen belemmering voor de ontwikkelingen binnen het plangebied.

Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn naast wonen ook de vestiging van bovengenoemde culturele functies mogelijk. Hierbij een kan een onderscheid gemaakt worden in categorie A en categorie B bedrijven. Categorie A bedrijven zijn toelaatbaar aanpandig aan woningen. Categorie B bedrijven zijn toelaatbaar aanpandig aan woningen indien bouwkundig afgescheiden.

Voorbeelden van categorie A bedrijven binnen het plangebied:

  • Bibliotheek
  • Museum
  • Gelders Archief
  • Kunstbedrijf
  • Volksuniversiteit
  • Café, bars

Voorbeelden van categorie B bedrijven binnen het plangebied

  • Rijn IJsselcollege
  • Discotheken en muziekcafe's

Voorwaarden voor het bestemmingsplan zijn:

Categorie A bedrijven zijn toelaatbaar aanpandig aan woningen. Categorie B bedrijven zijn toelaatbaar aanpandig aan woningen indien bouwkundig afgescheiden.

5.2.4 Externe veiligheid

Binnen het plangebied zijn geen activiteiten waarbij externe veiligheid een rol speelt voorzien. In de omgeving van het plangebied loopt het spoor (> 300 meter) en de Neder-Rijn (175 meter) waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.

Transport via het spoor

Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van het spoor waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er ligt geen 10-6 PR contour binnen het plangebied.

Transport via de Neder-Rijn

Via de Neder-Rijn vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Op basis van de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (1 januari 2010) is de Neder-Rijn getypeerd als een binnenvaartcorridor zonder toetsafstand. Er is geen 10-6 PR contour.

Verantwoording groepsrisico

Het plangebied ligt ten opzichte van plangebied niet binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico. Dit betekent dat het groepsrisico door de ontwikkelingen binnen het plangebied niet toe- en/of afnemen en er geen verantwoording van het groepsrisico hoeft te worden uitgevoerd. Daarnaast geldt voor de Neder-Rijn – een binnenvaartcorridor zonder toetsafstand – dat er in dit geval ook geen verantwoording van het groepsrisico hoeft te worden uitgevoerd.

Voorwaarden voor het bestemmingsplan

Vanuit externe veiligheid zijn er geen voorwaarden omdat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied (groepsrisico) van het spoor en de Neder-Rijn. Door de ontwikkelingen binnen het plangebied zal het groepsrisico niet toe en/of afnemen waardoor er geen verantwoording van het groepsrisico hoeft te worden uitgevoerd.

5.2.5 Groen en ecologie

Bestaande situatie

Eelerwoude heeft in 2005 en 2009 Flora- en faunaonderzoek uitgevoerd in opdracht van de gemeente. In 2005 zijn de deelgebieden Hav enkwartier (inclusief Paradijs), Coehoorn Noord en Coehoorn Zuid en Nieuwe Oeverstraat geïnventariseerd op aanwezigheid van beschermde soorten. Geadviseerd werd om aanvullend onderzoek uit te voeren naar vleermuizen en broedvogels, omdat het plangebied is gewijzigd en niet alle gebouwen voldoende zijn onderzocht. Tevens was er een stedenbouwkundig ontwerp en was er duidelijkheid over de te slopen, te renoveren en te handhaven gebouwen. In 2009 is nogmaals een inventarisatie uitgevoerd naar beschermde vogels en zoogdieren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0202.732-0301_0005.gif"

Figuur 5.3 Groene en ecologische waardenkaart

Figuur 5.3 geeft de waarnemingen van gierzwaluw, huismus en gewone dwergvleermuis weer over de periode 1990 – 2009. Hierop is te zien dat in de (directe) omgeving verblijven zijn van de 3 soorten. In 2005 zijn geen vaste verblijf- of kolonieplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Wel zijn diverse soorten vleermuizen foeragerende waargenomen in het gehele gebied, vooral in het Paradijs, aan de Rijnkade en in Coehoorn Noord – Oost.

Er is geen groene structuur aanwezig. Er staan geen bomen in het plangebied.

Toekomstige situatie

Flora en faunawet

Het Kenniscluster is onderdeel van Rijnboog. Voor het totale project Rijnboog, inclusief Prinsenhof, is het effect van de activiteiten op de aanwezige beschermde flora en fauna onderzocht. Het project Rijnboog betreft een herontwikkeling van zeven deelgebieden in het centrum van Arnhem. De herontwikkeling houdt in:

  • vernieuwing en verbetering van de ruimtelijke structuur: ingrepen in de openbare ruimte en in de ordening van de bouwblokken;
  • nieuwbouw van woningen, detailhandel, kantoorruimte en overige bedrijfsruimte;
  • verbetering van de voorzieningen: situeren van een kenniscluster en een kunstencluster. Daarnaast het toevoegen dan wel beter huisvesten van sociaal maatschappelijke voorzieningen (Prinsenhof) en detailhandels- en horecavoorzieningen;
  • verbeteren van de groen- en waterstructuur: het verbeteren en toevoegen van groen (bomen, beplanting, dakgroen) en het toevoegen van water (haven, Sint Jansbeek) en het verbeteren van de waterstructuur (afvoer hemelwater). Bovendien het vergroten van de gebruiksmogelijkheden van het omringende groen en herinrichting van slecht functionerende openbare gebieden

De verblijfplaatsen van de gierzwaluw, huismus, gewone dwergvleermuis (zomer- en paarverblijfplaats) in bebouwing die wordt gesloopt verdwijnen tijdelijk. In de omgeving blijven voldoende plekken waar de soorten kunnen verblijven (zie Bijlage 5 Resultaten nadere veldonderzoeken Rijnboog). Het verdwijnen van verblijven is dus een korte termijn effect op de beschermde soort. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van deze soorten zal gewaarborgd blijven (lange termijn effect), door het inpassen van verblijven van de dieren in de nieuwbouw en de bestaande bebouwing en de gefaseerde uitvoering.

Voor dit tijdelijke effect is een besluit positieve afwijzing aangevraagd bij het ministerie van LNV. Binnen het project Kenniscluster worden verblijven voor huismus en gewone dwergvleermuis ingepast in de nieuwbouw.

Natuurbeschermingswet

Het plangebied Rijnboog ligt ongeveer 2,0 km van het Natura 2000 gebied Veluwe en ongeveer 2,2 km van het Natura 2000 gebied Gelderse Poort. Geen van de aangewezen habitattypen, habitatsoorten en vogelsoorten komen voor in de beschermingsgebieden. In Rijnboog komt geen industrie. Negatief effect op de beschermingsgebieden zijn er dus niet. De Natuurbeschermingswet is daarom niet van toepassing.

Ecologische Hoofdstructuur

De ontwikkeling van Rijnboog heeft ook geen negatief effect op de Ecologische Hoofdstructuur, omdat het plangebied buiten de Ecologische Hoofdstructuur ligt.

Boswet

De ontwikkeling Rijnboog ligt binnen de Bebouwde Kom Boswet.

Groenplan – Visie ecologie

Het natuurdoeltype voor Rijnboog is de 'Stenen Stad'. Het stimuleren van Stadsnatuur is uitgangspunt. Binnen het project Rijnboog wordt hier invulling aangegeven (zie Flora- en faunawet).

Conclusie

  • Het verdwijnen van verblijven van huismus, gierzwaluw en gewone dwergvleermuis is een korte termijn effect op de beschermde soort. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van deze soorten zal gewaarborgd blijven (lange termijn effect), doordat er in de omgeving voldoende verblijven beschikbaar blijven, door het inpassen van verblijven in de nieuwbouw en de bestaande bebouwing en door de gefaseerde uitvoering. Met deze maatregelen kan er redelijkerwijs van worden uitgegaan dat er positieve afwijzing, dan wel een ontheffing Flora- en faunawet verkregen kan worden.
  • Er zijn geen negatieve effect op de beschermingsgebieden. De Natuurbeschermingswet is daarom niet van toepassing.
  • Door het versterken van de groenstructuren in het totale plan Rijnboog, is de verwachting dat er een positieve groenbalans is voor Rijnboog.
  • Er is geen groen aanwezig binnen het projectgebied Kenniscluster.

5.2.6 Water

Huidige situatie

Oppervlaktewater

Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. 250 m. ten zuidwesten van het plangebied stroomt de rivier de Neder-Rijn.

Grondwater

Het grondwater binnen het plangebied maakt onderdeel uit van het grote grondwatersysteem dat vanaf de Veluwe richting de Betuwe stroomt. De waterstand die bij deze grondwaterstroom behoort, bevindt zich op ongeveer 9 m. + N.A.P. Bij een maaiveldhoogte van ongeveer 14,5 m. + N.A.P. geeft dit een ontwatering van ongeveer 5,5 meter. Door de ligging van het plangebied op de overgang van de stuwwal naar de uiterwaarden kan de ondergrond variëren. In de zandige ondergrond kunnen storende lagen voorkomen. Deze lagen kunnen lokaal grote afwijkingen veroorzaken ten opzichte van de te verwachten grondwaterstand.

Afvalwatersysteem

Het plangebied is voorzien van een gemengd rioolstelsel en behoort tot het bemalinggebied van het Rijngemaal

afbeelding "i_NL.IMRO.0202.732-0301_0006.gif"

Figuur 5.4: Beperkingenkaart Water

Toekomstige situatie

Oppervlakte water

Ook in de nieuwe situatie is er geen oppervlaktewater aanwezig.

Grondwater

Verdiept bouwen is slechts mogelijk als met geo-hydrologisch onderzoek is aangetoond dat dit geen negatieve gevolgen heeft voor het grondwater.

In het kader van het milieu effectenonderzoek (de m.e.r. Rijnboog) is uitgebreid onderzoek gedaan naar de effecten van ondergrondse constructies op de grondwaterhuishouding. Constructies tot een diepte van 4 meter beneden maaiveld leiden tot enkele centimeters stijging van het grondwater en daarmee niet tot nadelige effecten op de grondwaterhuishouding. Daarbij kan het nog steeds zijn dat locaal voorkomende storende lagen voor afwijkingen kunnen zorgen.

Uit aanvullend geohydrologisch onderzoek (zie Bijlage 7) is gebleken dat ondergronds tot een diepte van 14,5 meter kan worden gebouwd, zonder dat daardoor nadelige gevolgen voor de grondwaterhuishouding ontstaan.

Afvalwatersysteem

Bij nieuwe ontwikkelingen geldt dat een geïntegreerd rioolstelsel moet worden aangelegd. Dit betekent dat alleen afvalwater op het gemengde riool mag worden geloosd. Hemelwater moet op eigen terrein worden verwerkt. Als blijkt dat het verwerken van hemelwater op eigen terrein niet mogelijk is, dan kan, na overleg met de rioolbeheerder, gekozen worden om het hemelwater bovengronds af te voeren naar het openbaar gebied. Voorwaarde is dat 10 mm. neerslag op eigen terrein verwerkt wordt voordat het surplus aan hemelwater wordt geloosd.

Ook voor nieuwe openbare ruimtes geldt dat het hemelwater bovengronds moet worden afgevoerd.

Vanuit meerdere ontwikkelingen wordt één van de belangrijkste transportriolen van Arnhem-Noord verplaatst vanuit de Lage Kade (het lage, buitendijks gelegen deel van de Rijnkade) richting het centrum. Het nieuwe tracé loopt onder meer door de Nieuwe Oeverstraat en Kleine Oord.

In de nieuwe situatie moeten beide riolen toegankelijk blijven voor onderhoud dan wel vervanging.

De reacties van het Waterschap Rijn en IJssel zijn in deze waterparagraaf verwerkt.

Voorwaarden voor het bestemmingsplan zijn:

  • In de te ontwikkelen delen komt een nieuw (geïntegreerd) rioolstelsel; dit houdt in dat alleen nog afvalwater via het gemengde rioolstelsel wordt afgevoerd. Hemelwater moet op eigen terrein verwerkt worden.
  • Ondergrondse constructies tot een diepte van 4 m. – mv. leveren geen nadelige gevolgen op voor het grondwater. In geval van significante afwijkingen van ondergrondse constructies (> 30%) t.o.v. de gegevens uit de m.e.r. Rijnboog, moeten de effecten op het grondwater opnieuw worden onderzocht.
5.2.7 Bodem

Er is een inventarisatie uitgevoerd van alle beschikbare bodemkwaliteit gegevens en historische gegevens in het plangebied. Daarbij is gebruik gemaakt van het bodeminformatiesysteem van de gemeente Arnhem.

Er is op basis van de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Arnhem licht tot matig verontreinigde grond te verwachten (zone 3).

Verder zijn de volgende bodemrapporten/-documenten geraadpleegd:

Adres*   Rapportgegevens   Conclusie locatie
 
Stortplaats puin(LN230)   18-08-2006, 05.J055.10/05.D052-230   Niet tot licht verontreinigd  
Nieuwe Oeverstraat -3   18-08-2006, 05.J055.10/05.D052-230,   Niet tot licht verontreinigd.  
Oude Oeverstraat -11   ROYAL HASKONING,
9P7209.01/R2699.0, 26-
08-2005  
Verdacht op immobiele verontreinigingen. Geen mobiele verontreinigingen nabij aangetroffen.
 
Oude Oeverstraat -10   18-08-2006, 05.J055.10/05.D052-230   Niet tot licht verontreinigd.  
Oude Oeverstraat -9   18-08-2006, 05.J055.10/05.D052-230   Niet tot licht verontreinigd.  
Oude Oeverstraat -3   18-08-2006, 05.J055.10/05.D052-230   Niet tot licht verontreinigd.  
Oude Oeverstraat -2   18-02-2006, 05.J055.10/05.D052-230   Niet tot licht verontreinigd.  
Oude Oeverstraat -10   18-02-2006, 05.J055.10/05.D052-230   Niet tot licht verontreinigd.  
Oude oeverstraat (ong)   gem. Arnhem, 25-04-2005,
CSO, 31935,18-08-2006, 05.j055.10/05 D052-2700  
Niet tot licht verontreinigd.  
Oude Oeverstraat 120   18-08-2006, 05.J055.10/05.D052-230   Niet tot licht verontreinigd. De verdachte terreindelen liggen buiten ontwikkelgebied.  
RIJNBOOG, FASE 1 CLUSTER 5   28-09-2006, B05B0589   Licht tot matig verontreinigd.  

*) huisnummer met – ervoor (bijvoorbeeld -2)  

Dit zijn adressen waarbij geen huisnummer in de archieven bekend is. Om iedere vermelding uniek te houden krijgt ieder ongenummerd adres in dezelfde straat een opeenvolgend nummer met – ervoor.  

In de ontwikkellocatie Kenniscluster zijn ter plaatse van verdachte locaties (oude bedrijfsactiviteiten) geen tot lichte verontreinigingen aangetroffen. In het verkennend onderzoek dat over een groter gebied is uitgevoerd (Rijnboog, fase 1 cluster 5) zijn lichte tot matige verontreinigingen aangetroffen. Verder is van een terrein tussen Oude- en Nieuwe Oeverstraat bekend dat daar na de oorlog puin is gestort (niet tot licht verontreinigd).

Er zijn geen gegevens aangetroffen waaruit blijkt dat er direct grenzend aan het plangebied grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn.

Uit de onderzoeksgegevens blijkt, dat in het gehele gebied sprake is van puin in de bovenste meters. Dit heeft enerzijds te maken met een lange periode van binnenstedelijk gebruik en anderzijds met het vermoeden dat oorlogspuin van elders hier gestort/heengeschoven is. De kwaliteit van de puinhoudende bodem varieert van licht tot matig met immobiele verontreinigingen aan zware metalen en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK).

Verontreinigd puin komt ook voor op oude bedrijfslocaties waar mogelijk door (voormalige) bedrijfsactiviteiten verontreinigingen in de bodem zijn gekomen. Het is in dat geval moeilijk om vast te stellen of een verontreiniging is veroorzaakt door een oude bedrijfsactiviteit of door (oorlogs-)puin. Ook de omvang is dan niet eenduidig vast te stellen.

Daarnaast komen onder een groot deel van de ontwikkellocatie parkeerkelders, waarbij de bovenste meters van de grond worden ontgraven en afgevoerd. Gezien de grote variatie in kwaliteit is afperking van immobiele verontreinigingen in deze laag niet zinvol.

Er is daarom voor gekozen om de puinhoudende bodemlaag tot 2 m-mv als één verontreiniging te beschouwen, met licht tot matig verhoogde gehaltes aan immobiele verontreinigingen.

Daarnaast kan ook sprake zijn van mobiele verontreinigingen zoals minerale olie. In het kenniscluster zijn geen mobiele verontreinigingen boven de streefwaarden aangetroffen.

Saneringskosten

De bodemkwaliteit heeft financiële gevolgen voor de planontwikkeling. In de plannen is rekening gehouden met kosten voor afvoer van de licht tot matig verontreinigde, puinhoudende bovengrond.

De geïnventariseerde en getoetste bodemgegevens geven voldoende inzicht in de bodemkwaliteit van het plangebied. Er zijn geen gevallen van ernstige bodemverontreiniging aanwezig. Direct aangrenzend aan het plangebied liggen geen grondwaterverontreinigingen.

Voor de ontwikkeling van Kenniscluster zijn geen sanerende maatregelen nodig. In de plannen is rekening gehouden met kosten voor afvoer van de bovengrond.

De kwaliteit van de bodem (inclusief grondwater) vormt geen belemmering voor de planontwikkeling en voor de financiële uitvoerbaarheid daarvan, mits er voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • bij graven in ernstig verontreinigde grond is toestemming nodig van het bevoegd gezag;
  • voor afvoer en hergebruik van grond gelden regels

5.2.8 Cultuurhistorie en archeologie

Cultuurhistorie

Monumenten en cultuurhistorisch waardevolle objecten en structuren spelen een grote rol in de identiteit, de belevingswaarde en het verblijfsklimaat. De rijks- en gemeentelijke monumenten zijn wettelijk voldoende beschermd. Dit is niet zo als het gaat om andere cultuurhistorisch waardevolle objecten en structuren. Het beeld van de stad wordt niet alleen bepaald door de bestaande monumenten, maar juist door een algehele samenhang van monumenten, andere gebouwen, groene elementen en het aanwezige stratenpatroon.

Het plangebied ligt aan de voet van het stuwwalmassief in een zone waar de invloed van de rivier groot is geweest. Sonderinggegevens uit het gebied laten zien dat een oude, al lang dichtgeslibde Rijnloop in de ondergrond aanwezig is.

De vroegste vermelding van Arnhem dateert uit het jaar 893. In het goederenregister van het Salvatorklooster van Prüm, gelegen in de Eiffel nabij Trier, wordt melding gemaakt van een kerk, verschillende hoeven en stukken grond in de nederzetting 'Arneym'. Deze kerk, gewijd aan Sint Maarten, heeft iets ten zuiden van de huidige Eusebiuskerk gestaan. In 1959 zijn bij de restauratie van het koor van de Eusebiuskerk de resten van de oudere voorgangers van de huidige kerk gevonden(in de crypte nog te zien). De oudste funderingsresten die zijn aangetroffen, dateren uit de 9e-10e eeuw.

In de directe nabijheid van de kerk moet ook de 9e-eeuwse nederzetting hebben gelegen. De (vroeg)middeleeuwse nederzetting Arneym in de buurt van de St. Maarten is nooit gelokaliseerd. Het is mogelijk dat die sporen door overstromingen van de Rijn in de 11e eeuw deels of volledig zijn weggevaagd.

De vraag hoe precies de nederzetting Arneym zich tot een middeleeuwse stad heeft ontwikkeld is op dit moment niet te beantwoorden. Daarvoor is nog te weinig bekend van de ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis van de stad.

In de 12e eeuw moet de nederzetting in ieder geval flink zijn gegroeid. Wanneer rond 1200 de Johannieters zich in Arnhem vestigen op de plaats die nu nog steeds Jansplein heet, wordt over Arnhem als 'oppidum' gesproken. Dit betekent zoveel als een wat grotere, versterkte plaats. De macht van de burgers neemt zo toe dat in 1233, de graaf van Gelre niet anders kan dan aan Arnhem de stadsrechten verlenen. De burgers verkrijgen dan ook het recht de stad van een verdediging te voorzien. De oudste stadsverdediging bestond misschien uit een aarden wal met een gracht, die op een gegeven moment (eind 13e eeuw/begin 14e eeuw) is vervangen door een bakstenen stadsmuur. Over die aarden omwalling weten we helemaal niets. Over de stadsmuur hebben we wel enkele gegevens voor handen.

Ondergronds zijn op veel plekken de funderingen van de in de 19e eeuw geslechte stadsmuur en stadspoorten nog bewaard gebleven. Aan het begin van de Rijnstraat stond de Rijnpoort, een middeleeuwse stadspoort. Bij diverse grondwerkzaamheden zijn de enorme brokken fundering van deze poort en het later ervoor aangelegde bastion aangetroffen.

De zuidelijke stad tot aan de ommuring wordt in de loop van de 13e en 14e eeuw volgebouwd. De oudste plattegrond van de stad Arnhem (van de hand van Jacob van Deventer) dateert uit het midden van de 16e eeuw en lijkt de laat-middeleeuwse situatie goeddeels weer te geven.

Er zijn enkele vondsten gedaan die wijzen op de vestiging van nijverheid in het zuidelijk deel van de stad. Aan de Oeverstraat zijn de resten van een pottenbakkersoven en pottenbakkersafval uit de late 11e/ 12e eeuw opgegraven. Pottenbakkers vestigden zich met hun brandgevaarlijk beroep graag in de buurt van het water.

Dat we bij 'water' niet in de eerste plaats aan de Rijn hoeven te denken, bewijst het volgende. De oudste kaarten tonen namelijk dat de Jansbeek door het plangebied (ter hoogte van de Oeverstraat) liep. Zelfs op de kadastrale minuut van 1832 is de loop van de beek in het zuidelijk deel van de stad nog goed te volgen.

De binnenstad is het monumentale hart van Arnhem. De plattegrond is nog herkenbaar als middeleeuws, terwijl de overheersende beeldkwaliteit van de panden een 19de eeuwse karakter heeft. In de Tweede Wereldoorlog is een aanzienlijk deel van de middeleeuwse stad, vooral aan de zuid- en zuidoostzijde verloren gegaan. De gehele binnenstad is in fasen geïnventariseerd op monumentale en historische waarden en beschreven in een aantal rapportages. Op basis van deze onderzoeken zijn historisch waardevolle objecten aangewezen als gemeentelijk monument.

Ook zijn er objecten en structuren gelokaliseerd, die beschouwd kunnen worden als cultuurhistorisch waardevol, maar om verschillende redenen niet zijn aangewezen als beschermd monument. Het kan hierbij gaan om archeologische sites waarvan de inhoud onbekend is, historische rooilijnen, beeldbepalende panden, markante herkenningspunten, waardevolle bomen en andere groenelementen etc.

Bij de wederopbouw is ervoor gekozen om de vooroorlogse structuur maar gedeeltelijk te handhaven. Het stedenbouwkundig ontwerp en de invulling daarvan met zakelijke en sobere wederopbouwarchitectuur onderscheiden dit gebied zeer duidelijk van de bewaard gebleven delen van de middeleeuwse stad. Ook de functionele invulling met openbare gebouwen en etageflats wijkt hiervan sterk af.

Archeologische verwachting

Op grond van de huidige stand van kennis geldt voor dit plangebied een hoge archeologische verwachting. De Arnhemse binnenstad staat ook op de Archeologische MonumentenKaart (AMK) aangeduid als “terrein van hoge archeologische waarde”. Voor de vroege periode (11e-13e eeuw) geldt een hoge verwachting voor de kennis van de zich ontwikkelende stad, met nadruk op ambachtelijke activiteiten en de nijverheid. Tevens kunnen ook sporen uit de latere perioden worden aangetroffen in dit deel van de stad, met nadruk op bewoning (houtbouw, vakwerkbouw, steenbouw). De middeleeuwse stadsverdediging kan aan de Oeverstraat en Langstraat bestudeerd worden; de Jansbeek ongeveer ter hoogte van de Oeverstraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0202.732-0301_0007.gif"

Figuur 5.4 Archeologische verwachtingskaart

afbeelding "i_NL.IMRO.0202.732-0301_0008.gif"

Figuur 5.5 Historische complexen en structuren

Verstoring archeologische waarden

Over de diepte van de sloopactiviteiten na de oorlog en dus over de mate van verstoring is niets te zeggen. We gaan vooralsnog ervan uit dat de sloop in slechts geringe mate of heel oppervlakkig de sporen van de middeleeuwse bebouwing en infrastructuur heeft beschadigd.

De nieuwbouw die is onderkelderd, heeft naar verwachting veel van het aanwezige bodemarchief vernield. Voor de gedeelten waar nieuwbouw met kelders staat, geldt een lage verwachting.

Een hoge verwachting geldt bijvoorbeeld voor de binnenterreinen met lage bebouwing en niet-bebouwde terreinen (zoals parkeerterreinen) in het plangebied. Ook onder panden zonder kelder kan het bodemarchief nog intact zijn.

Uitganspunten en ambities

Behoud van het aanwezige historische karakter is het uitgangspunt. Eventuele nieuwbouw zal dit karakter moeten respecteren, herstellen, versterken of verder ontwikkelen. De cultuurhistorische waarden dienen niet vernietigd of anderszins onherkenbaar gemaakt te worden.

Op grond van de huidige archeologiewetgeving geldt dat voor het plangebied de verdere verwachting door middel van één of meerdere bureauonderzoeken in kaart moet worden gebracht. Toetsing van verwachtingsmodellen geschiedt door booronderzoek en/of proefsleuvenonderzoek. Als waardevolle archeologische resten niet behouden kunnen blijven, volgt veiligstelling daarvan door een opgraving (behoud ex situ).

Kansen en beperkingen

Wat betreft archeologische rijksmonumenten is de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed het vergunningbevoegde orgaan. Bij ingrepen in de bodem moet steeds vroegtijdig de gemeentelijke archeoloog worden betrokken.

Vanuit cultuurhistorische optiek bieden zich de volgende kansen aan:

  • 1. Visualisatie stadsmuren. De aanwezigheid van restanten van de stadsmuren biedt de kans om te onderzoeken in hoeverre deze kunnen worden gevisualiseerd als historische groeiringen van de uitdijende stad.
  • 2. Arnhem aan de beek. De stad is ontstaan aan de kruising van de Jansbeek en verschillende handelsroutes. De stedelijke wortels zijn echter niet meer zichtbaar. De verdwenen loop van de Jansbeek kan weer beleefbaar worden als een kunstzinnig waterspoor door het Rijnbooggebied.
  • 3. Het Minrebroedersklooster als inspiratiebron voor de stedenbouwkundige en architectonische invulling van het gebied.
  • 4. Binnenstad als voorbeeld. De historische verkaveling, parcellering, materiaalgebruik, nokrichtingen etc. is richtinggevend voor de ruimtelijke inrichting en architectonische vormgeving van het Rijnbooggebied.
  • 5. Arnhems blond. Typisch Arnhems is het kleurbeeld dat we 'Arnhems blond' noemen. Arnhems blond is een verzamelnaam voor de witte en lichte tinten die op allerlei gebouwen in Arnhem worden toegepast. De gevels van de 19e eeuwse neo-classistische panden aan de Eusebiusbuitensingel vormen een goed voorbeeld. Ze zijn gepleisterd en geschilderd in ”blonde” kleurstellingen, die de stad een statig voorkomen verlenen. Het 'Arnhems blond' kan worden toegepast aan de Rijnkade en op de gevels langs de Nieuwe Haven.

In het plangebied staan geen beschermde monumenten. De grens van het gemeentelijk beschermd stadsgezicht “Binnenstad” ligt een de zuidzijde van de Oude Oeverstraat. Niettemin is de cultuurhistorische waarde van dit stadsdeel erg hoog vanwege de relatie met de historische binnenstad en de hoge archeologische verwachtingen.

Conclusie

Uit oogpunt van cultuurhistorie is het plangebied van groot belang. Vooral vanwege de invloedsfeer van de historische binnenstad en op basis van hoge archeologische verwachtingen dient zorgvuldig geopereerd te worden. Wijzigingen kunnen grote gevolgen hebben voor de cultuurhistorische belevingswaarde van een veel groter gebied. Raadpleging van erfgoeddeskundigen bij wijzigingen in de omgeving van beschermde monumenten, wijzigingen in de hoofdstructuur en in historische rooilijnen is noodzakelijk.

Nieuwe bebouwing dient een overbrugging te realiseren tussen de relatieve kleinschaligheid van de historische binnenstad en het stedenbouwkundig concept voor Rijnboog. Bij bodemverstoringen moet de gemeentelijke archeoloog worden ingeschakeld.

5.2.9 Milieuoptimalisaties uit MER Rijnboog

Inleiding

In hoofdstuk 6 van het Milieueffectrapport (MER) Rijnboog (september 2010) staat het Meest Milieuvriendelijk Alternatief (MMA). Het MMA beschrijft hoe de doelstelling van de voorgenomen activiteit, de transformatie van Rijnboog, vanuit milieuoogpunt het beste gerealiseerd kan worden. Dit is gedaan in de vorm van optimalisatiemaatregelen ten opzichte van het masterplan.

In de bestemmingsplannen voor de deelgebieden worden de keuzes met betrekking tot de inrichting van het betreffende deelgebied vastgelegd. Een belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan is de motivatie hoe is omgegaan met de resultaten uit het MER. In deze paragraaf is aangegeven hoe in het bestemmingsplan 'Rijnboog Kenniscluster' met de MMA-maatregelen uit het MER is omgegaan. Daarbij is aangegeven op welke onderdelen van het MMA wordt afgeweken en wat daarbij de overwegingen zijn.

Uitwerking milieuoptimalisaties Rijnboog

Verkeer

Sociaal veilige vormgeving fiets- en voetgangersroutes

Binnen de grenzen van het bestemmingsplan 'Rijnboog Kenniscluster' bevindt zich geen openbare ruimte. Dit onderdeel is derhalve niet van toepassing.

Comfortabele routes (windafscherming, oversteekvoorzieningen) voor langzaam verkeer

Binnen de grenzen van dit bestemmingsplan bevindt zich geen openbare ruimte. Dit onderdeel is derhalve niet van toepassing

Directe routes voor langzaam verkeer

Binnen de grenzen van het bestemmingsplan 'Rijnboog Kenniscluster' bevindt zich geen openbare ruimte. Dit onderdeel is derhalve niet van toepassing

Prioriteit voor langzaam verkeer bij knelpuntlocaties

Niet van toepassing in dit dit bestemmingsplan.

Ongelijkvloerse kruising langzaam verkeer station – Rijnboog

Niet van toepassing in dit dit bestemmingsplan.

Volwaardige doorgaande fietsroute over waterkering

Niet van toepassing in dit dit bestemmingsplan.

Gratis bewaakte parkeervoorzieningen voor fietsers

Binnen de grenzen van het dit bestemmingsplan vindt zich in principe geen openbare bewaakte fietsenstalling. Binnen de grenzen bevindt zich, voor onder andere personeel en cursisten wel een semi-openbare fietsenstalling waarbij de toegankelijkheid geregeld is met een pasjessysteem.

Tariefdifferentiatie parkeren (centrum duurder dan aan de rand van het centrum en transferia)

Binnen de grenzen van het bestemmingsplan 'Rijnboog Kenniscluster' bevindt zich geen openbare ruimte. Dit onderdeel is derhalve niet van toepassing

Instellen milieuzone

In het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL) is de gemeente Arnhem al gestart met de voorbereiding én uitvoering van een milieuzone voor vrachtverkeer. Deze maatregel wordt niet alleen in het kader van Rijnboog genomen, maar is een overkoepelend besluit voor de gehele stad.

Stimuleren innovatieve brandstoffen en een schoon wagenpark

Deze maatregel wordt genomen en is een overkoepelend besluit voor de hele stad, niet alleen in het kader van Rijnboog.

Woon- en leefmilieu

Toepassen van begroeide gevels (verticaal groen) langs de Weerdjestraat (centrale as)

De Weerdjestraat maakt geen onderdeel uit van het bestemmingsplan 'Rijnboog Kenniscluster'.

Toepassen van dakgroen om lokale achtergrondconcentratie te verlagen

70% tot 80% van het dakoppervlak zal voorzien zijn van een groen sedumdak.

Toepassen stil asfalt

Binnen de grenzen van dit bestemmingsplan bevindt zich geen openbare ruimte. Dit onderdeel is derhalve niet van toepassing.

Aanscherpen stedenbouwkundig ontwerp door kleine aanpassingen aan ligging wegen en nieuwbouw

Niet van toepassing in dit bestemmingsplan.

Maatregelen aan de bron (schermen/wallen of geluidsreducerende verharding)

Schermen en wallen worden in Rijnboog niet toegepast omdat dit enkel effect zou hebben op de onderste bouwlagen en de beeldkwaliteit en de functionaliteit van de openbare ruimte erdoor worden aangetast.

Scheiding langzaam en snel verkeer op centrale as dmv lage schermen

Deze maatregel is niet overgenomen, omdat dit zowel ruimtelijk als functioneel niet werkt in het Rijnbooggebied.

Verlichting kwetsbare gebieden (sociale veiligheid)

Binnen de grenzen van dit bestemmingsplan bevindt zich geen openbare ruimte. Dit onderdeel is derhalve niet van toepassing.

Windhinder op pleinen en verblijfszones beperken

Een goede balans tussen het voorkomen van windhinder en het verzorgen van verkoeling in het gebied wordt nagestreefd.

Fietsenstalling met oplaadpunt voor electroscooters en – fietsers en gebruikersindicatiescherm

In de semi-openbare fietsenstalling wordt een oplaadpunt aangebracht.

Hanteren strenge TNO-norm voor bezonning van de woonkamer

Deze maatregel is niet overgenomen omdat in het kader van het opwarmen van de stad verkoeling vaak belangrijker is dan bezonning.

Bodem en Water

Drainagewater rond parkeergarage koppelen aan een koudepomp voor koeling van gebouwen

Deze maatregel wordt niet overgenomen in dit bestemmingsplan omdat er geen sprake is van drainage.

Toepassen vegetatiedaken en verticaal groen

70% tot 80% van het dakoppervlak zal voorzien worden van een sedumdak.

Aanleg integraal leidingentracé

Voor het aanleggen van een integraal leidingentracé wordt een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek wordt gekeken welke concrete gebruikers er zijn en of het rendabel is om een kabels en leidingen tunnel aan te leggen. Naar aanleiding van dit onderzoek wordt een definitieve keuze gemaakt.

Overige milieuaspecten

Realiseren daktuinen

Op het dak van het Kenniscluster wordt een terras annex daktuin gerealiseerd welke toegankelijk is voor de bezoekers van het Kenniscluster.

Park de Singels en park Onderlangs recreatief met elkaar verbinden

Niet van toepassing in het bestemmingsplan 'Rijnboog Kenniscluster'.

Aanbrengen kalkrijke mortel bij staande objecten in de openbare ruimte

Binnen de grenzen van het bestemmingsplan 'Rijnboog Kenniscluster' bevindt zich geen openbare ruimte. Dit onderdeel is derhalve niet van toepassing

Aanbrengen specifieke verblijfsplaatsen voor bepaalde soort (bijvoorbeeld gierzwaluw) bij gebouwen

Bekeken wordt voor welke soorten er verblijfsruimtes kunnen worden gecreëerd. De volgende mogelijkheden worden bekeken verblijfsruimtes voor vleermuizen, nestruimtes voor huismussen en of nestruimtes voor Gierzwaluwen.

Inpassen archeologische en cultuurhistorische elementen (oa Oude Klooster)

Binnen dit bestemmingsplan bestaat het voornemen om opgravingen te exposeren en resten van oude bebouwing te integreren in de nieuwbouw. Mits de vondsten daarvoor geschikt zijn, archeologisch voldoende waardevol zijn en dit technisch en financieel realiseerbaar is.

De mogelijkheden voor een verbinding, door middel van een ondergrondse passage, tussen het Kenniscluster en de Historische stadskelders wordt onderzocht.

Groene singelstructuur terugbrengen tot aan de Rijnkade

Niet van toepassing in dit bestemmingsplan.

Archeologievriendelijk bouwen

Deze maatregel wordt niet overgenomen omdat dit nog geen state-of-the-art is en onduidelijk of het kosteneffectief is.

Energieprestatie op locatie (EPL) van 8

In bestemmingsplan 'Rijnboog Kenniscluster' wordt het verbruik van fossiele brandstoffen beperkt door gas als energiebron te laten vervallen. De EPL voor het Kenniscluster is op 8 gesteld. Door de provincie is deze EPL voor het Kenniscluster vertaald naar een 25% verbeterde EPC score ten opzichte van het bouwbesluit 2009.

Koeling alleen toestaan als warmte wordt opgevangen

Het binnenstedelijk gebied zal steeds verder verwarmen. Er ontstaat een grote vraag naar koeling. De warmte die hierbij ontstaat moet worden opgevangen in de bodem of technieken moeten worden ingezet die geen warmte produceren.

In het bestemmingsplan wordt uitgegaan van een energie voorziening middels een KWO systeem. Of deze koude en warmte opslag plaatsvindt in het grondwater of dat de energie aan rioolwater wordt onttrokken of toegevoegd is nog onderwerp van studie.

Ambitie GPR: 7,0

Duurzaamheid staat hoog op de agenda bij de bouw van het kenniscluster, het systeem waarmee je de duurzaamheid in een score om kan zetten is nog niet gekozen. En daarmee is de score GPR 7 voor materiaalgebruik, afval, gebruikswaarde en binnenmilieu nog nietszeggend. Voor energie wordt een 25% verbeterde EPC score ten opzichte van het Bouwbesluit 2009 gerealiseerd.

Klimaatvriendelijke inrichting van de openbare ruimte in relatie tot de omliggende gebouwen

Binnen de grenzen van dit bestemmingsplan bevindt zich geen openbare ruimte. Dit onderdeel is derhalve niet van toepassing.

Vasthouden van regenwater ter verkoeling van de bebouwing en de openbare ruimte

Door het toepassen van een sedumdak wordt regenwater vastgehouden.

Gebruik van stromend water (Sint Jansbeek) ter verkoeling

Binnen de grenzen van dit bestemmingsplan bevindt zich geen openbare ruimte. Dit onderdeel is derhalve niet van toepassing.

Ondergrondse perscontainers

Binnen de grenzen van dit bestemmingsplan bevindt zich geen openbare ruimte. Dit onderdeel is derhalve niet van toepassing. Het kenniscluster zal het afval zo opslaan dat het niet zichtbaar is vanuit de openbare ruimte.

Voorkomen lichtuitstraling over Rijn

Niet van toepassing in dit bestemmingsplan.

Maatregelen voor de uitvoering

Reguleren verkeersstromen tijdens uitvoering

Deze maatregel is overgenomen.

Hinder bouwwerkzaamheden (geluid en trillingen) voorkomen

Deze maatregel is overgenomen.

Voorafgaand aan bouwwerkzaamheden onderzoek voor archeologie en conventionele explosieven

Deze maatregel is overgenomen.

Garanties veiligheidsniveau waterkering

Niet van toepassing in dit bestemmingsplan.

Veilige bouwplaats

Deze maatregel is overgenomen.