direct naar inhoud van 2.1 Historische ontwikkeling
Plan: Bestemmingsplan Rijnboog Kenniscluster
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0202.732-0301

2.1 Historische ontwikkeling

Arnhem heeft zich ontwikkeld op de plaats waar de Molenbeek en de Jansbeek samenvloeiden en handelswegen de Jansbeek kruisten. De nederzetting Arneym wordt voor het eerst in 893 in de schriftelijke bronnen genoemd. In de goederenlijst van het Sint-Salvatorklooster van Prüm (Duitsland) is destijds vermeld dat het klooster bezittingen heeft in Arnhem, namelijk de Sint Maartenskerk (de voorganger van de Eusebiuskerk) en verschillende hoeven en stukken grond.

Het middeleeuwse Arnhem lag op een kruispunt van wegen: een west - oost en noord - zuid route. In 1233 verkreeg de nederzetting stedelijke rechten, nadat al eerder een ommuring was aangebracht. De route Roggestraat – Ketelstraat -Vijzelstraat - Rijnstraat vormde van oudsher een hoofdstraat die de stad in oost - west - richting doorkruiste. Haaks daarop liep oorspronkelijk de Jansbeek, ter plaatse van de huidige Bovenbeek- en Beekstraat. Oostelijk daarvan lag de stadswal (de huidige Walstraat). Bij de kruising van de hoofdstraat met de stadswal bevond zich een stadspoort (Velperpoort). In het gebied ten westen van de Beekstraat was -en is- het stratenpatroon overwegend noord - zuid gericht; oostelijk daarvan, in de latere stadsuitleg, liepen de straten overwegend oost - west.

Door de komst van de Rekenkamer werd Arnhem in de 16e eeuw de hoofdstad van het gewest en daarmee de vestigingsplaats voor ambtenaren en de Gelderse adel. Hiermee werd de basis gelegd voor de culturele tradities van de stad. Omstreeks 1550 kwam de stad aan de Rijn te liggen, doordat de rivier een nieuw gegraven bedding kreeg. De economische grondslagen werden gevormd door de bestuurlijke, handels- en verzorgende functies.

In 1829 kreeg de gemeente bij Koninklijk Besluit als een van de eerste Nederlandse steden toestemming om de hoofdwallen te slechten. De buitenvestingwerken waren reeds als plantsoen ingericht (naar ontwerp van J.D. Zocher jr.) waardoor een groene band rond de oude stad aanwezig was. Juist de ontwikkelingen ten gevolge van het slechten van de hoofdwal en het afbreken van de stadspoorten deden inbreuk op het plantsoen.

Het tracé van de Rijnspoorweg uit Amsterdam en het (kop)station werden, mede vanwege defensiebelangen, ondanks bezwaren van het gemeentebestuur, aan de noord – westzijde van de oude stad geprojecteerd en in 1845 voltooid. Enkele jaren later werd deze lijn doorgetrokken naar Duitsland.

Dit was het begin van een dynamische groeiperiode. Het uitbreidingsplan van stadsarchitect H.J. Heuvelink van 1853 was afgestemd op de nieuwe situatie van het spoor. Op basis van dit plan werd onder andere de op de stad gerichte aaneengesloten bebouwing aan de buitensingels gerealiseerd.

Al eerder aangelegde landgoederen en zomerverblijfplaatsen aan de zuidelijke randen van de Veluwe hebben voor een bijzonder gunstig vestigingsklimaat in en om Arnhem gezorgd. Kapitaalkrachtigen uit het westen trokken naar Arnhem om daar aantrekkelijke huizen te bouwen, eerst rond de singels, daarna langs de wegen naar buiten, richting Spijkerkwartier, Transvaalbuurt en Burgemeesterswijk. Met de groei van Arnhem veranderde het karakter van de binnenstad: van het oorspronkelijke dichtbebouwde woongebied werd het steeds meer een voorzieningencentrum. Vele woonhuizen werden verbouwd tot winkelpanden en bedrijven.

Na een economische crisis rond 1870 herleefde de stad weer en in het begin van de 20e eeuw kwamen talrijke initiatieven: onder andere werden het netwerk voor openbaar vervoer, industrieterreinen en havens aangelegd. In de Tweede Wereldoorlog is de Arnhemse binnenstad zwaar getroffen. Mede als gevolg van de wederopbouw is de ruimtelijke structuur van het gebied in belangrijke mate veranderd, met name aan de randen en de zuidoostzijde. Na die periode zijn de veranderingen in deze structuur slechts marginaal gebleven.