| Plan: | Bestemmingsplan Schuytgraaf 2011 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0202.719-0301 |
In Schuytgraaf is de deklaag zeer heterogeen van samenstelling. Veen en klei liggen in het algemeen aan de oppervlakte; plaatselijk komen daar zandige stroomruggen doorheen of liggen net onder het oppervlak. Het westen en zuiden kent een relatief dun kleipakket van 1 tot 2,5 meter op een ondergrond van zand en grind. De rivierkom in het midden en het oosten kent een relatief dikke kleiafzetting van 3,5 tot 6 meter.
De regionale grondwaterstroming wordt met name bepaald door de hoge ligging van de Veluwe en de waterstand in de Rijn. Hierdoor stroomt vanaf het Veluwemassief geïnfiltreerd water richting Rijn en Schuytgraaf. In het plangebied treedt een continue en vrij constante diepe kwel op van dit water dat hoofdzakelijk uittreedt in de poldersloten. De kwaliteit van dit water is zeer goed: het bevat onder andere een hoog ijzer- en kalkgehalte en een laag chloridengehalte. Plaatsen waar kwelstroming zich kan concentreren zijn met name de locaties waar zandige afzettingen voorkomen, behorende bij oude stroomgeulen. In een strook van enkele honderden meters vanaf de rivier zal bij hoge waterstanden ook rivierkwel optreden.
Schuytgraaf valt in het beheersgebied van het waterschap Rivierenland waarbij één peil voor het open water wordt gehanteerd. De afwatering vindt in zuidwestelijke richting plaats door middel van enkele hoofdwatergangen (Eldensche, Drielsche en de Laarsche Zeeg) en een netwerk van kleinere watergangen (sloten). De waterstanden worden buiten het gebied geregeld; er zijn geen inlaten en stuwen aanwezig. In droge periodes kan via een ten zuiden van Schuytgraaf gelegen inlaat uit de Linge, water naar het gebied worden aangevoerd.
In het gebied is een gemiddelde drooglegging aanwezig van 1,1 meter beneden maaiveld. Deze drooglegging is afgestemd op het huidige agrarische gebruik.
Het oppervlaktewaterpeil in het gebied bedraagt in de zomer 7,20 meter boven NAP, en varieert in de winter tussen 6,8 en 7,0 meter boven NAP.
Op basis van bodemopbouw, maaiveldhoogte en grondwaterstand is het gebied ten westen van de spoorbaan onder te verdelen in vier deelgebieden.
In het laag gelegen komgebied in het midden en oosten van het plangebied is de grondwaterstand relatief hoog (0,6-1,0 meter beneden maaiveld), deze wordt hier in beperkte mate beïnvloed door de waterstand in de Rijn. De gemiddelde kwel bedraagt 2-5 millimeter per dag.
De zuidwestelijke hoek van het plangebied ligt relatief hoog en heeft een lage grondwaterstand (0,8-1,5 meter beneden maaiveld), welke nauwelijks wordt beïnvloed door de Rijnwaterstand. De gemiddelde kwel bedraagt 1-4 millimeter per dag.
De noordwestelijke hoek van het gebied bestaat hoofdzakelijk uit een in het verleden afgezette oeverwal en ligt relatief hoog. De grondwaterstand staat onder invloed van het Veluwemassief, is zeer grillig en kan variëren van 0,4 tot 0,8 meter beneden maaiveld. De gemiddelde kwel is hier aanzienlijk en bedraagt 6-12 millimeter per dag.
Het noordoostelijke deel van het plangebied tenslotte is gelegen in een relatief laag gelegen deel van het komgebied; hier wordt ook veen aangetroffen. De grondwaterstand is hier, onder invloed van het Veluwemassief en de Rijn, enigszins fluctuerend, maar in het algemeen redelijk tot zeer hoog (0,4-0,8 meter beneden maaiveld). De gemiddelde kwel is 3-7 millimeter per dag.
De bodemopbouw in Schuytgraaf is niet veel veranderd ten opzichte van de oorspronkelijke situatie, alleen voor de ophoging van de velden en wegen is er grond uit het eigen gebied gebruikt. Voor de cunetten van de wegen in de velden wordt het zand uit de zandwinplas gebruikt. Aangezien dit niet toereikend is, wordt er ook zand aangevoerd van buiten Schuytgraaf. Voor de ophoging van de kavels van de woningen wordt klei en veen gebruikt dat afgegraven is ter plaatse van de watergangen in Schuytgraaf.
Het stedelijk gebied van Schuytgraaf komt op de plaats van het landbouwkundige watersysteem zoals dat beschreven is in de vorige paragraaf. Er wordt dan ook een nieuw watersysteem aangelegd.
Dit nieuwe watersysteem kenmerkt zich door brede watergangen, flauwe taluds en een flexibel peilbeheer. Om voldoende drooglegging te creëren moet een groot deel van het plangebied opgehoogd worden. Om de verstoring van het watersysteem in het landbouwgebied buiten het stedelijk gebied te voorkomen is een voedselrijk watersysteem om Schuytgraaf heen ontworpen.
Inmiddels is een groot deel van het watersysteem gerealiseerd inclusief de stuwen, alleen het water rondom veld 1, 2 en 3, het water bij de centrumvelden en rondom de sportvelden moet nog aangelegd worden. Voor het voedselrijk watersysteem geldt dat het grootste deel nog aangelegd moet worden.